Wilders

Vooropgesteld: ik ben het hardgrondig oneens met veel van de ideeën van Geert Wilders. Zijn mening over buitenlanders, over Nederlanders met een buitenlandse achtergrond, zijn islamofobie, ik walg er zelfs van. Maar Geert Wilders is wel duidelijk en consequent. Hij verwoordt zijn mening altijd ondubbelzinnig en in begrijpelijke taal. Heeft hij gesproken in de Kamer, dan weet je wat hij ervan vindt.

Die duidelijkheid, die waardeer ik wel aan hem. Sterker nog, het maakt hem in mijn ogen tot een van de betere politici in Nederland. Waren er maar meer die zo duidelijk en consequent zijn als Geert Wilders. Betekenden de woorden “hier scheiden zich onze wegen” maar dat degene die ze uitspreekt ook echt niet meer verder wil met degene tegen wie ze het heeft. En betekende het steunen van een motie van wantrouwen maar dat degenen die dat doen ook echt af willen van degene tegen wie de motie is ingediend. Maar zo schijnt het helaas niet te werken in politiek Nederland.

Op een gegeven moment moet het “maar eens uit zijn met het geneuzel over poppetjes”, moeten we “met elkaar verder in het belang van de burger” of “is het tijd om over oplossingen te praten en niet over problemen”. Begrijp me goed, ik hoop niet dat Wilders nog ooit deelneemt aan een regering in Nederland, of zelfs ook maar een kabinet gedoogt. Maar ik hoop wel dat er meer politici komen die zeggen wat ze vinden en daar dan ook de consequenties aan verbinden die bij hun woorden passen. Wel blijf ik ook hopen, dat het fatsoenlijk blijft. Waar Wilders in de Tweede Kamer al vaak de grenzen van het fatsoen opzoekt, gaat hij daar op zijn Twitter-account regelmatig overheen. Zoals onlangs, toen hij journalisten ‘op een enkele uitzondering na tuig van de richel’ noemde. Dat kan natuurlijk niet.

Bidstand, visstand

Wat nu weer, zie ik je denken. Nou, inderdaad behoeft de titel van dit blog enige toelichting. Ik ga het hebben over iets wat je normaal gesproken misschien niet eens opvalt, maar waar je je ontzettend over gaat ergeren of juist amuseren als je het eenmaal weet.

Valt jou niets op als je op de televisie mensen ziet die geïnterviewd worden? Dan let maar eens op hun handen. Afwisselend houden ze die voor hun buik bij elkaar (de bidstand, inderdaad) en spreiden ze die iets naar buiten, alsof ze aangeven hoe groot de vis is die ze enige tijd geleden gevangen hebben (inderdaad, de visstand). Vooral politici, bestuurders en presentatoren zie je het doen. Een andere categorie geïnterviewden, sporters, valt hier buiten. Van sporters wordt tijdens een interview doorgaans alleen het hoofd in beeld gebracht, waarschijnlijk omdat ze met hun handen in hun zakken staan. Maar verder zie je het bij bijna iedereen. Voor de afwisseling gaat vanuit de bidstand soms alleen de linker- of de rechterhand naar buiten (richting aanwijzen noem ik dat), of begint de geïnterviewde soms uit het niets met zijn vingers een opsomming te maken. Dat noem ik de telstand. De persoon in kwestie tikt dan met de wijsvinger van de ene hand eerst de wijsvinger van de andere hand aan, vervolgens de middelvinger en soms ook nog de ringvinger. Vaak gebeurt dat terwijl de spreker helemaal niet eens bezig is met het noemen van een opsomming. Waar komt dit vreemde gedrag vandaan? Er is maar een antwoord op deze vraag mogelijk: ze hebben een cursus gevolgd. Voor een luttel bedragje van enkele honderden euro’s hebben ze waarschijnlijk een training ‘spreken in het openbaar’ gehad. Het aanbod is groot. ‘Spreken zonder stress’, ‘Presenteren met overtuiging’, ‘Spreekangst workshop’, om er maar een paar te noemen. Ze worden gegeven door bedrijven als Bureau Spraakwater, Spreken.nl, Het Verteltheater en noem maar op. Allemaal leren ze je klaarblijkelijk hetzelfde mantra: bidstand, visstand, bidstand, richtingaanwijzer, bidstand, visstand, bidstand, telstand, bidstand, visstand, bidstand, richtingaanwijzer, bidstand, enzovoort. Let er maar eens op.

Vruchtbaar taalgebruik

Vruchtbaar taalgebruik

Als je de titel van dit blog leest denk je misschien als eerste aan uitdrukkingen als ‘een appeltje met iemand te schillen hebben’ of ‘de druiven zijn zuur’. Maar in onze taal komen ook woorden voor die klinken als vruchten, terwijl ze daar in feite niets mee te maken hebben. Voorbeelden daarvan zijn ‘krenten’, ‘krieken’, ‘rapen’, ‘peren’, ‘pruimen’ en ‘sleeën’. Het zijn allemaal werkwoorden die hetzelfde geschreven worden als de naam van vruchten. Krenten doe je met druiven, je haalt de kleine, niet aangeslagen vruchtjes uit de tros. En krenten zijn natuurlijk ook gedroogde druiven. Krieken is het aanbreken van de dag en het zijn kersen. Op een akker kun je rapen rapen. Er uit peren betekent er vandoor gaan. Pruimen doe je met tabak en sleeën is behalve het rijden op een slee ook een andere benaming voor sleebessen.

Behalve werkwoorden zijn er ook zelfstandig naamwoorden die behalve de naam van een vrucht ook een andere betekenis hebben. Een noot is bijvoorbeeld ook een begrip in de muziek. Aan je schaats kun je een braam hebben. Een bes is een oud vrouwtje, terwijl een druif een niet al te snugger persoon is. Om een eikel te zijn hoef je niet aan een boom te hangen. Een krent is een overdreven zuinig persoon. Net als de eikel kan de pruim ook een bepaald lichaamsdeel aanduiden. Een kappertje knipt je haar, maar is ook de ongeopende bloem van de kappertjesplant. Amandelen kun je schaven en roosteren, maar ook uit je keelholte laten verwijderen. Maar de allermooiste vruchtennaam met dubbele betekenis is toch wel het zijden hemdje, behalve een kledingstuk ook de naam van een oude appelsoort, die heel zacht aanvoelt.

Streektaal

Streektaal

Regelmatig schrijf ik artikelen voor een magazine, waarvoor ik mensen uit het hele land moet interviewen. Die interviews leveren aardige inzichten op over de verschillen die er weldegelijk blijken te bestaan tussen de diverse regio’s.

Interview ik een Brabander, dan is het voor mij als geboren en getogen Brabander simpel: ik versta de geïnterviewde en weet wanneer hij een grapje maakt of serieus is. Spreek ik iemand uit de Randstad, dan wordt het al ingewikkelder. Verstaan gaat nog wel, maar het valt soms niet mee om te ontdekken of iemand iets nou serieus bedoelt of niet. Gelukkig lachen Randstedelingen vaak om hun eigen grappen, zodat het meestal wel goed komt.

Noorderlingen zijn vaak extreem kort van stof. Stel je geen open vragen dan krijg je ook echt ‘ja’ of ‘nee’ als antwoord op je vraag, gevolgd door stilte. Stel je wel een open vraag, dan nog blijft het antwoord vaak beperkt tot uitdrukkingen als ‘mooi’ of ‘interessant’. Voordeel bij noorderlingen is wel, dat je artikel sneller is uitgetypt, omdat je bij ieder werkwoord de laatste ‘e’ kunt weglaten.

Friezen en Limburgers zijn niet alleen geografisch extremen. Hun talen zijn voor mij compleet onverstaanbaar. Als ik een Fries of een Limburger interview probeer ik enkele termen op te vangen waar geen apart Fries of Limburgs woord voor bestaat en om die termen heen schrijf ik vervolgens een artikel. Geen idee of wat ik opschrijf dan overeenkomt met wat de geïnterviewde heeft gezegd, maar tot nu toe zijn mijn artikelen altijd goedgekeurd. Misschien zegt dat meer over de werkelijke belangstelling van de geïnterviewde voor het eindresultaat dan over mijn vaardigheden. Wie zal het zeggen? En in welk dialect?

Koningsdag

Gelukkig, Koningsdag 2020 zit er op. Het was een unieke dag die ons nog lang zal heugen, maar ook een die we nooit meer mee willen maken. Meer dan ooit deed de oranjebitter waarmee we de dag aftrapten zijn naam eer aan. Daarop volgde het massaal zingen van het Wilhelmus vanaf het balkon of vanuit de achtertuin.

Wij stonden er klaar voor in onze tuin, om 10 uur ’s ochtends. Om niet helemaal voor gek te staan wachtten we met het inzetten van ons volkslied tot we anderen hoorden zingen. Helaas bleef het oorverdovend stil, zodat we onverrichter zaken maar weer plaats namen bij ons kleedje. We hadden namelijk in onze achtertuin onze eigen mini oranjemarkt ingericht door allerlei niet meer bruikbare spullen op dat kleedje uit te stallen. Helaas was de opkomst teleurstellend en hebben we om drie uur ’s middags de vier punten van het kleedje bijeen gepakt en het geheel in de kliko gedeponeerd. Niets verkocht, maar toch was de winst maar tien euro lager dan in de jaren waarin we een flinke huursom moesten betalen voor een kraampje. Gelukkig waren sommige dingen wel als vanouds, zoals de commentaren op de speech van onze koning en de bespiegelingen over de gezichtsuitdrukkingen en de houding van onze koningin en de prinsesjes. En ook het borrelen in de stralende zon gaf deze Koningsdag toch nog een vertrouwd gevoel, de Corona’s vloeiden rijkelijk.

Vlekje

Vlekje

Ieder jaar eten wij met Kerstmis biefstuk stroganoff. Een heerlijk gerecht, dat Marina als geen ander kan bereiden. Ook afgelopen Kerst hebben we er weer volop van genoten, maar tijdens het eten overkwam me iets vervelends. Ik maakte een ongelukkige beweging, waardoor een stukje biefstuk van mijn vork af viel en terecht kwam in die saus. Daardoor spatte de saus op en met een sierlijke boog belandde een flinke druppel op mijn broek. Tevergeefs probeerde ik het zo ontstane vlekje weg te werken met mijn servet.

De rest van de avond heb ik zoveel mogelijk geprobeerd het vlekje te verbergen door mijn hand op een zo natuurlijk mogelijke manier op mijn bovenbeen te laten rusten. Overbodig eigenlijk, want iedereen wist dat het vlekje daar zat. Ik deed het eigenlijk meer voor mezelf: als ik het vlekje niet zag, dan hoefde ik er ook niet van te balen dat het er zat. Maar hoe erg is zo’n vlekje eigenlijk? Ik sloeg aan het hoofdrekenen. Het oppervlak van het vlekje was π maal de straal in het kwadraat; de oppervlakte van mijn broek berekende ik door π maal de doorsnede van mijn bovenbeen op te tellen bij π maal de doorsnede van mijn kuit te delen door twee en dat te vermenigvuldigen met twee keer de lengte van mijn been. Daar telde ik dan nog een derde van het resultaat bij op ter benadering van de hoeveelheid stof die mijn goddelijke billen omsloot. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ongeveer 0,5 procent van mijn broek bevuild was. Anders gezegd: 99,5 procent van mijn broek was gewoon nog helemaal schoon. Waar maakte ik me druk om?

Als schrijver weet ik, dat wanneer je een verhaal als het bovenstaande vertelt je moet komen met een heel goede afsluiting. En als je die niet kunt verzinnen moet je ervoor zorgen dat het verhaal een moraal heeft. Hier volgt dus de moraal van dit verhaal: zie mijn broek als het leven en het vlekje als tegenslag, en bedenk vervolgens dat die tegenslag maar een heel klein onderdeel van je leven is. Let kortom wat meer op de dingen die wel goed gaan en geniet daarvan, in plaats van te kniezen om die 0,5 % tegenslag.

Open brief aan Greta Thunberg

Open brief aan Greta Thunberg

Lieve Greta,

Je hebt heel wat te verduren gekregen na je toespraak op de klimaattop van de Verenigde Naties. Ik weet niet voor wat voor soorten vis je allemaal bent uitgemaakt, maar verse zat er niet tussen. Troost je, het zijn (voornamelijk) zure oude mannen, die het niet kunnen verkroppen dat hen de les wordt gelezen door een meisje van zestien. Toegegeven, het kan ook zijn dat je ze afschrikt door de gezichten die trekt bij het uitspreken van je boodschap. Maar serieuze, volwassen mensen zouden daar toch doorheen moeten kunnen kijken.

Ik wil je wel één ding ter overweging meegeven: die zure oude mannen zijn vroeger ook jong geweest en de meeste van hen hebben in hun jeugd ook idealen gehad. Idealen blijken vaak te verwateren en ingeruild te worden voor meer praktische doelen. Ik ben zo bang dat dat bij jou ook zal gebeuren, Greta. Daarom waarschuw ik je nu alvast. Ook jij krijgt straks waarschijnlijk een goed betaalde baan, waarin je veel minder omvattende belangen hebt dan het voortbestaan van de aarde en de mensheid. Of erger nog, misschien ga je wel de politiek in. Bestaat je werk er straks uit om compromissen te sluiten met mensen die het uitsterven van diersoorten en het welzijn van onze planeet een worst zal wezen. Ik hoop het niet, maar als ik naar mezelf en mijn vrienden van vroeger kijk: we waren allemaal in meer of mindere mate idealisten. En nu, tja… Gelukkig is het nu nog niet zover met jou. Daarom wil ik je het volgende vragen: ga asjeblieft door, lieve Greta. Blijf ons met onze neuzen op de feiten drukken en blijf van ons eisen dat we onze verantwoordelijkheid nemen. En laat ondertussen die zure oude mannen maar lullen. Mij ook.

Valkenswaard heeft wat Eindhoven mist

Valkenswaard heeft wat Eindhoven mist

Vooropgesteld: ik heb helemaal niks tegen Eindhoven. Sterker nog, ik heb er jarenlang met veel plezier gewoond en ik kom er nog steeds graag. En toch heeft mijn huidige woonplaats Valkenswaard iets wat Eindhoven mist. Ik ga het uitleggen.

Ik schrijf af en toe teksten voor liedjes, gewoon voor de lol. Toen ik van de week voor het slapen gaan een laatste sigaretje rookte, op de stoep onder een wolkeloze sterrenhemel, kwam het idee in me op om een loflied op Valkenswaard te gaan schrijven. Nou ben ik wel tekstschrijver, maar absoluut geen componist. Daarom zoek ik meestal een bestaande melodie, waar ik dan een nieuwe tekst op schrijf. Al snel kwam ik achter een groot voordeel van de naam Valkenswaard: het metrum, het ritme komt overeen met ‘Amsterdam’ en ook met ‘De Jordaan’. Dat biedt natuurlijk enorm veel mogelijkheden. De melodieën zingen al rond in mijn hoofd: Geef mij maar Valkenswaard, Aan de Valkenswaardse grachten, Tulpen uit Valkenswaard, Bij ons in Valkenswaard, noem maar op.

Eindhoven heeft dat niet, die nadruk op de laatste lettergreep. Dat dat echt een gemis is wordt pijnlijk duidelijk in het populairste lied van de supporters van PSV. Zij verbasteren de naam van hun stad om de juiste klemtoon te krijgen: Eindhovuh, Eindhovuh, Eindhovuh… zouden ze beseffen dat hun stad daardoor lijkt op Amsterdam?

Overigens is het lied over Valkenswaard er nog niet. Maar het komt er wel. Tot nu toe heb ik dit:

Bij ons in Valkenswaard zing je van hela hola hoeladiejee
Bij ons in Valkenswaard zie je de jongens en de meiden dansend gaan (Hatsjee)
Bij ons in Valkenswaard waar de bloemen voor de ramen staan
En de Valkenswaardse humor nooit verloren gaat zolang de lepel in de brijpot staat

D-Day

D-Day

Op 6 juni jongstleden was het 75 jaar geleden dat de geallieerde invasie in Normandië begon, die uiteindelijk een einde aan de Tweede Wereldoorlog zou maken. Ik heb er weer veel beelden van bekeken. Jongens van 20, 21 jaar die vanaf een bootje wadend door het zeewater het strand proberen te bereiken, om vervolgens beschoten te worden door andere jongens van 20, 21 jaar. Oorlog is een smerig spel, het zou verboden moeten worden.

De beelden die ik zie doen me ieder jaar ook weer denken aan mijn vader. Die was 15 jaar oud toen de oorlog uitbrak. Op zijn 17-de riskeerde hij, waarschijnlijk of in ieder geval hopelijk onbewust, zijn leven door een bemanningslid van een neergestorte Britse bommenwerper, ook al een jongen van 21 jaar, achter op zijn fiets naar zijn dorp te brengen. Op zijn 19-de was er in zijn ouderlijk huis een topoverleg tijdens operatie Market Garden, waarbij onder anderen de Amerikaanse generaal Dempsey en de Britse veldmaarschalk Montgomery aanwezig waren. Toen de oorlog hier goed en wel voorbij was, was het zijn beurt: van 1947 tot 1950 nam hij als dienstplichtige deel aan de politionele acties in het toenmalige Nederlands-Indië. 25 was hij, toen hij naar huis terugkeerde. Wat een jeugd, van je 15-de tot je 25-ste omgeven door oorlogsgeweld. Niet dagelijks natuurlijk, maar toch wel met grote regelmaat. Het zal een diepe indruk op hem gemaakt hebben, helaas vertelde hij er weinig over. Daarom steek ik maar ieder jaar op D-Day een denkbeeldige duim naar hem omhoog. Naar hem en naar al die jonge mannen die hun leven waagden en veel te vaak ook gaven voor ons.

Leef!

Leef!

Ik heb niet zo heel veel met André Hazes jr., maar met de strekking van zijn hit ‘Leef!’ ben ik het wel roerend eens. Ik vergelijk het leven weleens met een bloedhete zomerdag op het strand.

Je ziet het kinderen, en sommige volwassenen ook, dan vaak doen: ze willen de zee in om te spelen of om af te koelen en rennen dan door het zand richting de branding, vast van plan om met een ferme duik het ruime sop te kiezen. Tot ze daadwerkelijk het water bereiken. Zo gauw hun tenen het toch wel frisse zeewater beroeren vermindert hun vaart, wordt hun looppas en dribbelpasje en staan ze uiteindelijk stil, zich afvragend waar ze in hemelsnaam aan begonnen zijn.

Leven kun je volgens mij vergelijken met dat rennen naar de zee. Onbezorgd op weg zijn naar het onbekende. Maar naarmate je ouder wordt, dichter bij de zee komt dus, neemt de twijfel toe. Ben je eigenlijk wel goed bezig, zou het niet wat voorzichtiger, wat kalmer aan, of wat gezonder moeten allemaal? Ik merk het soms ook aan mezelf, maar ik troost me dan met de gedachte dat het zeewater ook best wel lekker is, als je er eenmaal doorheen bent. Daarom is mijn devies, net als dat van André Hazes: Leef!